Geschiedenis

          

HET VLOOIENCIRCUS

De dressuur van vlooien heeft een lange geschiedenis achter de rug.
Al in de zestiende eeuw ontdekte de Engelsman Marc Scalliot de springkracht van de vlo en bedacht dat je deze dieren tot een prima circusdier zou kunnen maken.
Als je het diertje kon beletten zijn sprongen uit te voeren, dan zou je deze spierkracht kunnen gebruiken voor andere doeleinden.
Na veel experimenteren bereikte Scalliot zijn doel, door mensenvlooien met een zilveren tuigje te harnassen.
De lichaamskracht van de vlo bleek toen groot genoeg om wagentjes van edelmetaal en diverse andere attributen voort te bewegen.
Wat Scalliot bereikt had als pionier ontwikkelde de Italiaan Bertoletto ruim twee eeuwen later tot een absoluut hoogtepunt.
Volslagen bij toeval had Bertoletto gemerkt hoe een paar vlooien na lange gevangenschap in een pillendoosje, het springen verleerd waren.
De toepassing van deze ontdekking was het geheim van Bertoletto’s dressuur.
Hij zette daarop pas gevangen vlooien in een zilveren tredmolentje met glazen wanden.
Deze vlooien probeerden natuurlijk meteen te springen om het vege lijf te redden en omdat ze de glazen wand niet zagen dachten ze dat ze ruimte hadden.
Na een dag of tien gaf zo’n vlo het op en kreeg dan onmiddellijk een tuigje om. Dat tuigje werd niet gelijmd, want daarvoor is het chitinepantser van de vlo te glad, maar zoals een paardentuig aangegord.
Volgens latere vlooientemmers is dit aangorden nog altijd de meesterproef van het vak.
Bertoletto had succes met zijn manier van dressuur, zijn vlooien konden werkelijk alles en werden al snel een bezienswaardigheid in de amusementswereld.

Het kon natuurlijk niet uitblijven dat deze dressuur uiteindelijk ook op de kermis te zien zou zijn.

Zelfs Bertolotto ging voorstellingen op de kermissen geven en bezocht onder andere in 1841 en 1842 ook de Amsterdamse kermis.
Na verloop van tijd gingen meer mensen zich bekwamen in de vlooiendressuur, maar op de Nederlandse kermis zou het nog wel enige tijd duren voordat het publiek een reizend ’Vlooientheater’ kon bezoeken.
Pas na 1860 begonnen de eerste theaters aan een tournee door Nederland. .

VLOOIEN VERDWENEN

Het lag voor de hand dat de ‘Vlooientheaters’ van het kermistoneel zouden verdwijnen.
De vlooien lagen niet meer voor het oprapen en de meeste exploitanten hadden vroeger al een bordje in hun tent hangen met de tekst: “vlooien te koop gevraagd”.
In het begin waren de leveranciers met een paar cent al tevreden, maar later zouden de prijzen oplopen tot vijftien gulden per stuk of zelfs hoger.
Ondanks de hoge prijzen werd het aanbod, zeker na 1950, steeds kleiner.


Bron: www.kermishistorie.nl/html/vlooien_theater.html